Interview door Joanne Seldenrath
Met toestemming overgenomen uit de Nieuwsbrief van de Unie NKV

Karine Pluymaekers, sinds februari 2014 voorzitter van de Unie NKV, omschrijft zichzelf als een soort bouwpastoor: ‘Iemand die dingen op poten zet, van kinderhuizen in Nederland tot een administratie, een afdeling voor premature kinderen of een laboratorium in de tropen.’ Na haar eerste – verpleegkundige – opleiding volgde orthopedagogiek (Seminarium voor Orthopedagogiek) en tal van cursussen. Op dit moment doet ze Cultuurwetenschappen ‘uit pure liefhebberij’.

Met een Friese vader en een Brabantse moeder is ze ‘een beetje een mix van culturen in Nederland’. Ze woont nu in Zuid-Limburg maar heeft samen met haar man en vijf kinderen een behoorlijk deel van haar leven in Afrika doorgebracht. Terug in Nederland koos ze ervoor ‘om thuis te blijven en de boel op te vangen en te begeleiden. Dat heb ik als weldaad ervaren. Als de kinderen ziek waren, raakte ik niet gestrest. Ook toen al moesten vrouwen van mijn generatie veel ballen in de lucht houden. Het enige was het gevoel dat je maatschappelijk niet… Maar via de Soroptimistenclub en het Katholiek Vrouwen Dispuut kwam ik al snel in een circuit terecht en rolde ik van het een in het ander. Ik heb verschillende bestuurs-functies vervuld met tussendoor soms een betaalde klus. Erg leuk en leerzaam vond ik de reorganisatie van de vrijwilligersdiensten binnen de Organisatie Limburgse bedevaarten.’

Laconiek en opgewekt
Afrika heeft haar een ander perspectief gegeven. ‘Ja absoluut! We zijn er erg nuchter naartoe gegaan, ik had een houding van: ik zie wel wat op mijn weg komt. Achteraf is dat een uitstekende benadering geweest. Ik ben ervan overtuigd dat nieuwsgierigheid en zin in avontuur veel belangrijker factoren zijn dan idealisme. Als je een bepaald doel wilt bereiken, dan moet je niet in Afrika zijn. Daar moet je het leven nemen zoals het komt.
Wat ik geleerd heb, is relativeren. Groots en meeslepend dingen veranderen kan helemaal niet. Je kunt hoogstens positief meebewegen en iets veranderen in de marges. We hebben geleerd om laconiek te zijn: dit is het gegeven en hier maken we het beste van. We zien wel waar het schip strandt.’
Dat herkent ze ook in teksten uit de Bijbel, zoals haar ‘trouwtekst’: geen zorgen voor de dag van morgen. Ze pleit ervoor om fier katholiek te zijn. ‘Onze cultuur is geworteld in het christendom. Met name in de negentiende eeuw hebben vooral vrouwelijke religieuzen veel werk verzet in de gezondheidszorg en hebben ze in het onderwijs ongelooflijk veel mensen geschoold.
Er wordt vaak tobberig over geloof gedaan maar wij als katholieken hebben een grote mate van vrijheid om ons leven in te richten zoals wij denken dat het goed is. Bij ons is de mogelijkheid om een zonde te doen, vergeving te krijgen en daarna is het klaar. Dat opgewekte, dat vind ik belangrijk.
Er komt steeds langs wat fout is gegaan, het gaat altijd maar over dat instituut, over Rome, maar denk zelf na wat je geweten je voorzegt en doe daar je voordeel mee. Die discussie met het instituut kun je aangaan maar met een opgewekt gezicht, blij met de verworvenheden die je hebt. De RKK is wereldwijd zo groot, met al die nuances – hoe kunnen ze in Nederland, hier op die postzegel, willen bepalen hoe de kerk moet zijn?’
De kerk mag ook fier zijn op de troost die ze biedt en op de saamhorigheid. In feestelijke vieringen ervaart ze het als vreugdevol dat er ondanks alle individualisering toch zo veel mensen aanwezig zijn. ‘Ik ben voor een open kerk, waar iedereen welkom is. Dat spreekt mij ontzettend aan. Dat belerende vingertje kan mondiaal gezien helemaal niet. Dat probeer ik een beetje uit te dragen, dat opgewekte. We hoeven ons niet te schamen dat we katholiek zijn.’

Een middenweg vinden
Hoe de Unie NKV eruit zou moeten zien, is haar nog niet helemaal duidelijk. ‘Leuk aan besturen is het idee dat je sturing kunt geven, een richting aangeven. Frustrerend is dat het nooit zo snel gaat als je zou willen. Leuk is dat je mensen uit andere disciplines ontmoet. Je leert er geweldig van. Een nadeel is dat je soms werkt met mensen bij wie je het gevoel hebt “hier winnen we de oorlog niet mee”. Aardig is het om een consensus te vinden, een middenweg.
Aan bestuurswerk hoort een houdbaarheidsdatum te zitten van maximaal 6 à 7 jaar en nieuwe bestuursleden moet je altijd verwelkomen, dat geeft nieuwe impulsen. Het is niet zo erg om dezelfde discussies over te doen. Het proces vind ik leuk en ik ben heel tevreden als je er samen uit komt.
In feite is de UNKV niet de koepel van katholieke vrouwenorganisaties…’

Hoe bedoel je dat?
(Ineens heel aarzelend) ‘Ik denk… ik heb er geen zicht op… dat we moeten proberen de Unie NKV niet te verengen tot de mensen die lid zijn van een vrouwenorganisatie… De vraag blijft voor mij wel of de vorm beter aangepast kan worden aan de behoeftes, inzichten van deze tijd. Belangrijk is dat de boodschap van de Unie wordt uitgedragen; die boodschap is nog steeds actueel!’