foto © mariean schut

Anne-Claire Mulder bespreekt het gedicht ‘Hemel’ van de Poolse dichteres Wisława Szymborska (1923-2012), die in 1996 de Nobelprijs voor de literatuur won.
Geschikt voor gebruik in gespreks/studiegroepen.

HEMEL (1e couplet)

Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.

Fragment uit het artikel
‘Hemel’ is het laatste woord van de eerste zin: ‘Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel’. Een ik-figuur neemt het woord en richt zich tot … ja, tot wie? Tot zichzelf in een monologue intérieur? Tot de lezer? Tot een gesprekspartner buiten de tekst? Onderwerp van een gesprek: waarmee te beginnen? De werkwoordsconstructie – had moeten beginnen – suggereert dat de ik-figuur al een keer begonnen is en tot het (zelf-)kritische inzicht is gekomen dat met iets anders moet worden begonnen. Waarmee de ‘ik’ eerder is begonnen blijft verborgen; waarom met ‘de hemel’ had moeten worden begonnen wordt pas in het laatste couplet duidelijk. De dichteres beschrijft de hemel vervolgens met behulp van paradoxen en tegenstellingen waardoor niet alleen de voorstellingen en associaties van de lezeres onder druk wordt gezet, maar vooral ook de verdeling in aarde en hemel waar ze in het laatste couplet over schrijft.

Artikel downloaden